Met het afnemen van heggen in grote delen van Europa in de 20ste eeuw is ook de basiskennis over traditioneel heggenbeheer afgenomen. In Nederland groeide eind vorige eeuw de belangstelling voor heggen vanwege de hoge ecologische waardes. Omdat de kennis van het streekeigen heggenbeheer minimaal was is gezocht naar landen waarin het heggenbeheer op ambachtelijke wijze nog wel werd toegepast. Halverwege de jaren zeventig van de vorige eeuw deed daarom een Engelse methode zijn intrede in Nederland: de gelegde heg. Een tweede keer was eind jaren tachtig georganiseerd door het toenmalige SCLO. Eind jaren negentig nam de Engelse beheermethode een vlucht door heggendeskundige Jef Gielen. Bij de Engelse methode (heggenleggen) worden de takken allemaal vlak bij de grond ingekapt en tegen elkaar aangelegd. Paaltjes en wilgentenen zijn nodig om de heg rechtop te houden. Jef doceerde dit heggenleggen aan zijn cursisten waarbij uitdrukkelijk werd vermeld dat het leggen van heggen niet aangetoond is in ons land: Het heggenleggen was op moment het beste wat er te bieden was. Het grote verschil zit hem in de de hoogte waarbij de takken worden ingekapt of gebogen. Bij de Nederlandse (en in vrijwel alle andere Europese landen) worden de takken gebogen of geknikt op verschillende hoogtes en vervolgens gevlochten of op een andere manier gefixeerd. Tijdens en na de cursusperiode in de jaren negentig hebben Jef Gielen en Jaap Dirkmaat intensief maar tevergeefs gezocht naar bewijzen voor gelegde heggen in Nederland. Wat wel gevonden werd waren de vlechtmethodes die per regio verschilden van elkaar. Daarmee groeide de twijfel of het heggenleggen wel een verantwoorde manier was om ons cultuurlandschap op die manier te blijven beheren.

Resultaten van onderzoek naar oude heggen in de achterhoek (2005, Roeleveld en Gielen) bewezen dat er niet gelegd werd maar gevlochten. In 2013 verscheen het boek van Georg Müller waarbij overduidelijk werd dat het heggenleggen geen traditionele Nederlandse vorm van beheer is. Eigen onderzoek met Jef Gielen uit 2020 bewees nogmaals dat er gevlochten werd in de heggen rondom Heumen en Wijchen.

In de loop der jaren is door verschillende cursusleiders en natuurorganisaties (al dan niet bewust) het heggenleggen uitgelegd als een methode die hier in Nederland al eeuwenlang werd gebruikt. Een almaar groeiende groep cursisten krijgt nog steeds te horen dat zij aan het vlechten zijn voor ons cultuurlandschap terwijl ze aan het leggen zijn. Deze invloed heeft een desastreus effect op ons immateriële erfgoed en dus op ons Nederlandse cultuurlandschap: Diep ingekapte diagonale takken op grondniveau is nu het streefbeeld. In 2015 werd het “heggenvlechten” erkend als immaterieel erfgoed. Men kan zich afvragen welke waarde de toekenning heeft als deze gebaseerd is op niet-Nederlandse tradities zoals het heggenleggen. Het ambacht van het heggenvlechten waarover veel geschreven is in Nederland is geen Nederlands ambacht, maar een Engels ambacht: het is Engels immaterieel erfgoed. Het is precies die verwarring waarbij professionals en vele honderden cursisten denken dat ze verantwoord bezig zijn met ons cultuurlandschap maar zeer waarschijnlijk talloze relicten opgeruimd hebben in de kilometerslange gelegde heggen.

Het zijn de vlechtrelicten die door hun hoge leeftijd plaats bieden aan vele soorten flora en fauna en waardevolle informatie over Nederlands traditioneel heggenbeheer bevatten. Met het heggenleggen worden deze eeuwenoude relicten kapotgemaakt of zelfs verwijderd. Het heggenleggen is een methode die ongeveer elke 20 jaar herhaald  moet worden om de heg vitaal te houden: veel van de jonge biotopen zal weer verwijderd worden. Daarnaast wordt het beheer op deze manier financieel erg onaantrekkelijke voor de opdrachtgever. Voor alle duidelijkheid: Het heggenleggen is geen verkeerde methode: het is een prachtige methode die thuishoort in het Engelse landschap.

Een goed beheerde gevlochten heg gaat langer mee dan een goed gelegde heg. Daar bovenop is het vlechten kinderlijk eenvoudig, sneller en dus veel goedkoper. De arme Nederlandse boeren hadden immers geen tijd of geld om hun heggen te laten voldoen aan esthetische eisen. De heggen blijven smaller door ze te vlechten. Dit zorgde voor meer oppervlakte voor veeteelt of akkerbouw. De conclusie is dat als wij ons cultuurlandschap op een cultuurhistorische verantwoorde manier willen gaan beheren het heggenleggen hier niet in thuis hoort. Als we zorgvuldig ons cultuurlandschap herinrichten met geselecteerde streekeigen bomen en planten dan is het niet logisch dat we deze heggen vervolgens gaan beheren op een uitheemse methode.